Rolrechten verhogen

De wetgever hervormt de rolrechten opnieuw. Dat is nodig omdat het Grondwettelijke Hof de in 2015 ingevoerde regeling - waarbij het rolrecht afhangt van de waarde van het geschil - vernietigd heeft. De oude regeling - waarbij het rolrecht afhing van de rol waarop de zaak werd ingeschreven - was hierdoor opnieuw van toepassing. In de nieuwe rolrechtregeling zijn noch de waarde van de zaak, noch de rol waarop de zaak is ingeschreven bepalende factoren.

De rolrechten bedragen voortaan

50 euro in de vredegerechten en politierechtbanken;

165 euro in de rechtbanken van eerste aanleg en de ondernemingsrechtbanken;

400 euro in de hoven van beroep; en

650 euro in het Hof van Cassatie.

Die tarieven gelden ongeacht waar de zaak is ingeschreven: op de algemene rol, in het register van de verzoekschriften of in het register van de vorderingen in kort geding. Die nieuwe tarieven betekenen een serieuze verhoging ten opzichte van de huidige rolrechten.

De inning van de rolrechten wordt trouwens verplaatst naar het einde van de procedure. De rechter legt in zijn eindbeslissing vast welke partij de rolrechten moet betalen. In principe is dat de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen. Maar als de verweerder in het ongelijk is gesteld, betaalt die het rolrecht. Als de partijen elk voor een deel in het ongelijk zijn gesteld, beslist de rechter welk deel van het rolrecht de verweerder en de eiser elk moeten betalen.

Bij de gedinginleidende akte moet de eiser voortaan zijn rijksregister- of ondernemingsnummer vermelden. Op die manier wordt de latere invordering van de rolrechten makkelijker.

Wie zijn rolrecht niet betaalt, kan een administratieve boete oplopen. Minimum 25 euro en maximum de helft van het rolrecht.

Voortaan zijn trouwens alle zaken voor de arbeidsgerechten vrijgesteld van rolrechten. Een rolrecht moet evenmin nog betaald worden bij de ondernemingsrechtbanken voor vorderingen in het kader van de insolventieprocedures.
Bij de familierechtbank blijft ? voor dringende zaken ? het principe van de voortdurende aanhangigheid van toepassing, zodat maar één keer een rolrecht moet betaald worden. Maar wel enkel wanneer de partijen de oorspronkelijke vordering waarover de familierechter zich al heeft uitgesproken willen wijzigen. Ook wanneer de jeugdrechtbank al heeft beslist over een maatregel rond de uitoefening van het ouderlijk gezag, zal er geen nieuw rolrecht worden geheven als de wijziging daarvan wordt gevraagd voor de familierechtbank.

Wanneer de appellant in eerste aanleg veroordeeld is tot het betalen van de rolrechten en hij dit niet doet binnen drie maanden vanaf de beroepsakte, wordt het aangevochten vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

De nieuwe wet van 14 oktober 2018 treedt in werking op 1 februari 2019.

Bron: Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen, BS 20 december 2018

zie ook:
GwH 9 februari 2017, nr. 13/2017