Erfrecht langstlevende echtgenoot herbekeken

De nieuwe wet op het huwelijksvermogensrecht wijzigt ook de positie van de langstlevende echtgenoot in het erfrecht. Op drie punten.

Erfrecht bloedverwanten vierde orde afgeschaft

De bloedverwanten in de vierde orde verliezen hun wettelijk erfrecht wanneer ze in samenloop komen met de langstlevende echtgenoot van de overledene. Het gaat om de bloedverwanten in de zijlijn, behalve de broers en de zussen en hun afstammelingen. De bloedverwanten van de vierde orde verliezen hun erfrechtelijke roeping, de langstlevende echtgenoot erft de volledige nalatenschap in volle eigendom.

In dat geval zal er uiteraard ook geen kloving van de nalatenschap plaatsvinden, iets wat wel gebeurt in geval er geen langstlevende echtgenoot is.

Sterker erfrecht bij samenloop met verdere bloedverwanten erflater

Wanneer de overledene bloedverwanten in de opgaande lijn of broers, zussen of hun afstammelingen nalaat, erfde de langstlevende echtgenoot tot nu de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen. Dat betekende dat hij dus enkel kon erven wanneer hij gehuwd was onder een gemeenschapsstelsel, niet onder een ander huwelijksvermogensstelsel.

Dit erfrecht van de langstlevende blijft bestaan, maar wordt uitgebreid naar de langstlevende die gehuwd is onder een ander stelsel, een scheidingsstelsel. Het gekozen huwelijksvermogensstelsel speelt dus geen rol meer bij het intestaatserfrecht van de langstlevende. Concreet zal de langstlevende die gehuwd is onder een scheidingsstelsel de volle eigenom erven van het deel van de eerststervende in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is.
Die nieuwe regel is trouwens niet beperkt tot wie gehuwd is onder een stelsel van scheiding van goederen. Ook als echtgenoten gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel en bovendien goederen exclusief tussen hen in onverdeeldheid hebben, erft de langstlevende voortaan ook het aandeel van de eerststervende in de onverdeeldheid, naast diens aandeel in het gemeenschappelijk vermogen. Bijvoorbeeld wanneer echtgenoten voor hun huwelijk samen een onroerend goed hebben aangekocht in onverdeeldheid en dit niet hebben ingebracht in de gemeenschap.

Onterving

De mogelijkheid om in geval van een nieuw samengesteld gezin de langstlevende echtgenoot in onderling akkoord te onterven wordt verruimd. Wanneer een echtgenoot kinderen uit een vorige relatie heeft, kunnen de echtgenoten bij huwelijksovereenkomst een regeling over hun erfrecht in elkaars nalatenschap treffen. Tot nu mocht er hierbij niet geraakt worden aan de concrete reserve: de langstlevende echtgenoot had steeds recht op het vruchtgebruik van de gezinswoning en het huisraad. Die beperking wordt nu geschrapt. Waardoor de langstlevende echtgenoot ook de concrete reserve kan ontnomen worden. Maar het is geen alles of niets verhaal. De echtgenoten kunnen immers 'geheel of ten dele' een regeling treffen over hun rechten in de nalatenschap van de andere. Ze kunnen bv. een vruchtgebruik op de gezinswoning voor enkele jaren bedingen in hoofde van de langstlevende. Dan is er een gedeeltelijke verzaking aan de concrete reserve.

Let wel: de langstlevende heeft in elk geval het recht van bewoning op de gezinswoning en het recht van gebruik van het huisraad gedurende zes maanden vanaf het openvallen van de nalatenschap (dus geen vruchtgebruik). Dit recht van bewoning en gebruik gedurende zes maanden mag hem niet ontnomen worden. Die overgangsperiode moet voldoende zijn om een andere woning te vinden. De langstlevende kan wel aan het recht van gebruik en bewoning verzaken.

Inwerkingtreding

Deze nieuwe regels treden in werking op 1 september 2018, dag waarop het nieuw erfrecht in werking treedt. Er is voorzien in overgangsbepalingen.

Bron: Wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake, BS 27 juli 2018 (art. 3?5 en 7)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 733, 745bis, 754/1 en 1388)