Strafrechter kan in ongelijk gestelde burgerlijke partij die alleen koos voor hoger beroep rechtsplegingsvergoeding doen betalen

De strafrechter heeft sinds kort, op basis van artikel 162bis, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, de mogelijkheid om de beklaagde en de burgerlijkrechtelijke aansprakelijke een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij wanneer het hoger beroep uitsluitend door de burgerlijke partij is ingesteld ( en het dus niet werd gevolgd of voorafgegaan door een hoger beroep van de beklaagde of het openbaar ministerie).

De wetgever komt daarmee tegemoet aan arresten 113/2016 en 33/2017 van het Grondwettelijk Hof. Het Hof stelde daarin meermaals dat de Grondwet wordt geschonden door niet in dergelijke regeling te voorzien. De burgerlijke partij oefent in dat geval immers een recht uit dat enkel strekt tot de verdediging van een privé belang en ligt aan de oorsprong van de kosten en erelonen van de advocaten verbonden aan de procedure in hoger beroep. De toekenning van een rechtsplegingsvergoeding is in dat geval verantwoord en op zijn plaats.

Artikel 162bis, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering stelt meer concreet: 'De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis'.

Dit onderdeel van de Verzamelwet van 18 maart 2018 is van kracht sinds 12 mei.

Bron: Wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht, BS 2 mei 2018. ( art. 6 Verzamelwet Strafrecht en Strafvordering )