Strengere straffen voor vluchtmisdrijf en rijden zonder rijbewijs (7, 8 en 26 Verzamelwet Verkeersveiligheid)

De Verzamelwet Verkeersveiligheid introduceert strengere straffen voor vluchtmisdrijf en rijden zonder rijbewijs. Met bijzondere aandacht voor de hardere aanpak van recidivisten.

De nieuwe strafmaten zijn retroactief van toepassing vanaf 15 februari 2018.

Vluchtmisdrijf

Bij de bestraffing van vluchtmisdrijf wordt voortaan een onderscheid gemaakt tussen

ongevallen met alleen stoffelijke schade;

ongevallen met lichamelijk letsel; en

ongevallen met dodelijke afloop.

Dat was in het verleden niet het geval. Toen werd alleen gekeken of er stoffelijke dan wel lichamelijke schade was. Ongevallen met lichamelijk letsel en ongevallen met dodelijke afloop vielen dus onder dezelfde categorie. Meer nuance drong zich op.

Maar dat was niet het enige. De strafmaat zelf bleek ook onvoldoende afgestemd op het feit dat vluchten na een ongeval vooral een probleem is bij hardleerse chauffeurs en recidivisten. De wetgever vond het dan ook van fundamenteel belang om hier op in te spelen. De maximumstraffen zijn daarom aangepast. De minimumstraffen zijn niet gewijzigd.

Voortaan voorziet de Wegverkeerswet (art. 33) het volgende:

ONGEVAL MET LOUTER STOFFELIJKE SCHADE

'Met een gevangenisstraf van 15 dagen tot 6 maanden en een geldboete van 200 tot 2.000 euro (of een van deze straffen) wordt gestraft:

- elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dit dier oorzaak van, dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest;

- hij die wetend dat hij zelf oorzaak van, dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest,

de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is'.

ONGEVAL MET LICHAMELIJK LETSEL

Heeft het ongeval voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van 15 dagen tot 3 jaar en met een geldboete van 400 tot 5.000 euro (of met één van die straffen) én met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste 3 maanden en ten hoogste 5 jaar of levenslang.

ONGEVAL MET DODELIJKE AFLOOP

Heeft het ongeval voor een ander de dood tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van 15 dagen tot 4 jaar en een geldboete van 400 tot 5.000 euro (of met één van deze straffen) én met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste 3 maanden en ten hoogste 5 jaar of levenslang.

RECIDIVE

Met een gevangenisstraf van een maand tot 4 jaar en een geldboete van 400 tot 5.000 euro (of één van die straffen) wordt hij gestraft die, na een eerste veroordeling wegens vluchtmisdrijf binnen de 3 jaar na de dag van de uitspraak van het veroordelende vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, vluchtmisdrijf pleegt bij een ongeval met louter stoffelijke schade. Gaat het om recidive bij een ongeval met lichamelijk letsel of dodelijke afloop, dan wordt de betrokkene gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot 8 jaar en een geldboete van 800 tot 10.000 euro (of één van die straffen).

Rijden zonder rijbewijs

Wie betrapt wordt op rijden zonder rijbewijs, riskeert voortaan niet alleen een boete maar ook een gevangenisstraf. Op die manier hoopt de wetgever het groeiende fenomeen in te dijken.

De Wegverkeerswet (art. 30) voorziet een gevangenisstraf van 8 dagen tot 2 jaar én een geldboete van 200 tot 2.000 euro (of één van die straffen) voor wie

een motorvoertuig bestuurt zonder houder te zijn van het rijbewijs (of van het zodanig geldend bewijs) dat vereist is voor het besturen van dit voertuig;

een motorvoertuig bestuurt zonder de voorwaarden of de beperkingen die vermeld zijn op het rijbewijs (of het als zodanig geldende bewijs) onder meer in de vorm van codes, na te leven (onverminderd de toepassing van de specifieke bepalingen uit de Wegverkeerswet);

een valse verklaring heeft afgelegd om de afgifte van een rijbewijs (of van een als zodanig gelden bewijs) te bekomen. In dit geval wordt het verkregen document in beslag genomen en wordt de verbeurdverklaring ervan uitgesproken in geval van veroordeling;

een motorvoertuig bestuurt terwijl hij lijdt aan een van de lichaamsgebreken of aandoeningen die zijn opgelijst door de Koning of indien hij niet voldaan heeft aan het geneeskundig onderzoek dat is opgelegd door de Koning.

Personen van wie het rijbewijs is ingetrokken op basis van artikel 55 (of waarvan de onmiddellijke intrekking met toepassing van artikel 55bis wordt verlengd) die toch een motorvoertuig besturen om een bestuurder begeleiden met het oog op scholing, riskeren voortaan een gevangenisstraf van 3 maanden tot 2 jaar (voorheen een jaar) en een boete van 200 tot 2.000 euro (of één van deze straffen) én een rijverbod van minstens 3 maanden tot maximum 5 jaar of levenslang.

De bestraffing met betrekking tot het voorlopig rijbewijs wijzigt niet. Overtreders riskeren nog steeds een boete van 50 tot 500 euro.

Bij herhaling binnen de 3 jaar worden de straffen verdubbeld.

In werking

Artikels 7 en 8 van de Verzamelwet Verkeersveiligheid zijn retroactief van toepassing vanaf 15 februari 2018.

Bron: Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, BS 15 maart 2018. (7, 8 en 26 Verzamelwet Verkeersveiligheid)