Valsmunterij voortaan zwaarder bestraft

Valsmunterij wordt voortaan zwaarder bestraft. Wie bijvoorbeeld bewust vals geld gebruikt (zonder contact te hebben met de vervalsers zelf) riskeert vanaf 13 november tot 5 jaar cel. Nu is dat maximum 3 jaar. Aanzienlijk meer dus. Maar de invoer van strengere straffen is nodig om te voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2014/62. Alleen op die manier kan de euro in ons land en de hele EU afdoende beschermd worden.

De richtlijn bevat nog tal van andere maatregelen die deze bescherming moeten garanderen. Onder meer op het gebied van aansprakelijkheid van rechtspersonen, rechtsmacht, communicatie, samenwerking, enz. Maar aan die bepalingen komt ons land al ruimschoots tegemoet. Heel wat verplichtingen maken al jaren deel uit van onze regelgeving. Onder meer door de omzetting van het Kaderbesluit 2000/383/JBZ.

Maar op het gebied van strafbaarstellingen schoot ons land dus nog tekort. De wetgever zorgt daarom voor de nodige aanpassingen in het Strafwetboek. We stippen de wijzigingen kort aan.

Vals geld in omloop brengen

Wie bewust vals geld aanschaft of in omloop brengt - zonder overleg met de vervalsers of hun medeplichtigen - riskeert voortaan een gevangenisstraf van een maand tot 5 jaar. Dat is 2 jaar meer dan de huidige maximumstraf.

Wie vals geld invoert, uitvoert, vervoert, ontvangt of aanschaft met de bedoeling het in omloop te brengen, riskeert dan weer een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar. De invoer van vals geld werd al beoogd door artikel 168 van het Strafwetboek. Maar die bepaling vereist het voorafgaand overleg met de vervalsers of hun medeplichtigen. De nieuwe bepaling doelt op de bestraffing van 'invoer zonder voorafgaand overleg.

Ook van toepassing op nog niet uitgegeven betaalmiddelen

De strafbaarstellingen in artikel 160, 161, 162, 163, 168 en 169 zijn zonder onderscheid van toepassing op munten die al in omloop zijn gebracht als wettig betaalmiddelen als op munten die, hoewel ze bestemd zijn om in omloop te worden gebracht als wettig betaalmiddel, nog niet zijn uitgegeven. Deze bepaling viseert de valsmunters die, vóór het in omloop brengen van de muntstukken, beschikken over informatie waarmee ze de toekomstige munten kunnen kopiëren.

Vervalste aandelen in omloop brengen

Een gelijkaardige bepaling wordt ingevoerd voor wie bewust nagemaakte of vervalste aandelen, schuldbrieven, rente- of dividendbewijzen of biljetten aanschaft, uitgeeft of probeert dat te doen, zonder overleg met de vervalsers of hun medeplichtigen. Ook op dit misdrijf staat een maximumstraf van 5 jaar. Het huidige artikel 177 Sw. vraagt voorafgaand overleg met de vervalsers of hun medeplichtigen.

En ook hier zijn de bestaande strafbaarstellingen (art. 173, 176 en 177) van toepassing op biljetten die reeds zijn uitgegeven en in omloop zijn gebracht als wettig betaalmiddel als op de biljetten die, hoewel ze bestemd zijn om in omloop te worden gebracht als wettig betaalmiddel, nog niet zijn uitgegeven.

Vervalste muntstempels en matrijzen

Het Strafwetboek bestraft voortaan ook expliciet het bezit van nagemaakte of vervalste muntstempels, -matrijzen of andere voorwerpen of middelen voor de vervaardiging van munt of biljetten. De huidige bepalingen waren beperkt tot het vervaardigen, ontvangen en zich verschaffen van deze elementen.

Artikel 185bis van het Strafwetboek voorziet een gevangenisstraf van 8 dagen tot een jaar.

De bepaling worden verder aangevuld zodat ook hologrammen, watermerken of andere muntbestanddelen die worden gebruikt om munt tegen valsmunterij te beveiligen worden gevat. Zijn dus ook strafbaar: zij die met bedrieglijk opzet veiligheidskenmerken die worden gebruikt om munten of biljetten tegen vervalsing te beveiligen, vervaardigen, ontvangen of in bezit hebben, of zich dergelijke veiligheidskenmerken aanschaffen.

In werking: 13 november (10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad)

Bron: Wet van 18 oktober 2017 houdende de omzetting van de richtlijn 2014/62/EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad, BS 3 november 2017.