Meer rechten voor pleegzorgers

Pleegzorgers krijgen een eigen statuut, met rechten en plichten. Over de dagdagelijkse dingen kunnen ze helemaal zelf beslissen, fundamentele beslissingen worden door de ouders genomen. Maar die kunnen ermee instemmen dat de pleegzorgers ook daarover beslissen. Na de pleegzorg krijgen de pleegzorgers het recht om contact met het kind te houden.

Dagdagelijkse beslissingen

Pleegzorgers kunnen voortaan alle dagdagelijkse beslissingen over het kind nemen. Het gaat bv. om beslissingen over het kapsel, de sociale contacten, de deelname aan een schoolreis, enz.
De pleegzorgers oefenen ook het verblijfsrecht uit.

Belangrijke beslissingen

Voor belangrijke beslissingen rond gezondheid, opvoeding, opleiding, ontspanning en religieuze of levensbeschouwelijke keuzes zijn er diverse mogelijkheden.

In principe nemen de ouders die beslissingen. Maar in dringende gevallen beslissen de pleegzorgers. Ze moeten hun beslissingen wel onverwijld aan de ouders melden. Als dat niet kan, melden ze die aan het pleegzorgorgaan.

Bovendien kunnen de ouders hun beslissingsbevoegdheid delegeren naar de pleegzorgers. Of de rechtbank kan die delegeren.

Delegatie belangrijke beslissingen

Ouders en pleegzorgers kunnen overeenkomen om de belangrijke beslissingen omtrent gezondheid, opvoeding, opleiding, ontspanning en godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes, volledig of gedeeltelijk te delegeren aan de pleegzorgers. Zodat die ook in niet-dringende gevallen hierover kunnen beslissen. Eén uitzondering evenwel: beslissingen over de staat van de persoon van het kind (bv. instemming huwelijk, toestemming adoptie) moeten altijd aan de ouders overgelaten worden.

Het beheer van de goederen van het kind kan ook aan de pleegzorgers gedelegeerd worden.

De delegatieovereenkomst wordt schriftelijk opgemaakt, mét tussenkomst van het pleegzorgorgaan. De overeenkomst moet gehomologeerd worden door de familierechtbank. De rechter kan de homologatie weigeren als de overeenkomst strijdig is met het belang van het kind.

Als pleegzorgers en ouders geen akkoord bereiken, kunnen de pleegzorgers de familierechter vragen om de belangrijke beslissingen - al dan niet volledig - aan hen te delegeren. Ze kunnen ook vragen om het beheer van de goederen van het kind aan hen te delegeren. Ze kunnen hun verzoek indienen van zodra het kind ten minsten één jaar voortdurend in hun gezin geplaatst is.

Respect voor principes ouders

De pleegzorgers oefenen de gedelegeerde bevoegdheden in principe samen uit. Ze laten zich zoveel mogelijk leiden door de principes waar de ouders achterstaan. Zijn de pleegzorgers het onderling niet eens, dan kunnen ze de zaak aan de familierechtbank voorleggen.

Voor derden te goeder trouw is er een vermoeden dat de pleegzorgers handelen met instemming van elkaar.

Toezicht

De ouders kunnen altijd toezicht uitoefenen op de opvoeding van het kind. Ook als ze zelf niet het ouderlijk gezag uitoefenen. Ze hebben recht op alle nuttige informatie over de opvoeding. Die kunnen ze inwinnen bij de pleegzorgers zelf, of bij anderen. Zij kunnen in het belang van het kind ook naar de familierechtbank stappen.

Persoonlijk contact

De ouders hebben recht op persoonlijk contact met het kind. Dat contact kan alleen om bijzonder ernstige redenen geweigerd worden. Pleegzorgers en ouders leggen - met behulp van het pleegzorgorgaan - schriftelijk vast hoe dat persoonlijk contact zal verlopen. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en de leefomstandigheden van de ouders. Als ouders en pleegzorgers geen overeenkomst bereiken, kan de rechter een regeling uitwerken.

Ook de pleegzorgers zelf hebben na de beëindiging van de pleegzorg recht op persoonlijk contact met het kind. Als het kind minstens één jaar voortdurend bij hen was geplaatst. Op dat moment wordt de bijzondere affectieve band - die nodig is om persoonlijk contact te kunnen onderhouden - vermoed. Bij plaatsingen van minder dan een jaar, zullen de pleegzorgers de bijzondere affectieve band moeten bewijzen om persoonlijk contact te kunnen hebben.
In principe sluiten de pleegzorgers en de ouders een overeenkomst over de omgangsregeling na de pleegzorg. Bereiken ze geen akkoord, dan beslist de familierechtbank.

Beroepsrecht

Op vraag van de ouders, de pleegzorgers of de procureur des Konings kan de familierechtbank steeds alle beslissingen rond het ouderlijk gezag opleggen, wijzigen of stopzetten. Dit in het belang van het kind.

Jeugdrechtbank

In principe is de familierechtbank bevoegd voor maatregelen rond het ouderlijk gezag. Maar die bevoegdheid gaat voortaan naar de jeugdrechtbank wanneer de maatregelen rond het ouderlijk gezag samenhangen met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen. De jeugdrechter kan zich bv. uitspreken over de verblijfsregeling als hij een plaatsingsmaatregel beveelt. Zowel de jeugdrechtbank (ambtshalve) en het openbaar ministerie als de ouders en de pleegzorgers kunnen maategelen over ouderlijk gezag aanhangig maken bij de jeugdrechtbank.

De maatregelen over het ouderlijk gezag die de familierechtbank heeft uitgesproken, blijven gelden als ze verenigbaar zijn met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregel. Zijn ze strijdig met de jeugdbeschermingsmaatregel, dan worden ze geschorst. En dit tot de jeugdbeschermingsmaatregel wordt stopgezet of tot de jeugdrechtbank hierover anders beslist.

Na de beëindiging van de jeugdbeschermingsmaatregel blijven de eventuele beslissingen van de jeugdrechtbank over het ouderlijk gezag gewoon verder gelden. Als er al eerder maategelen werden uitgesproken door de familierechtbank en die geschorst werden, treden die opnieuw in werking.

De maatregelen blijven doorlopen totdat de partijen iets anders overeenkomen of totdat de familierechtbank hierover beslist.

Inwerkingtreding

De nieuwe wet van 19 maart 2017 treedt in werking op 1 september 2017, de start van het nieuwe gerechtelijke jaar.

Bron: Wet van 19 maart 2017 tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers, BS 5 april 2017

Burgerlijk Wetboek (art. 387bis en 387quater-387quaterdecies)
Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (art. 7, 7/1 en 45)
Gerechtelijk Wetboek (art. 572bis, 1253ter/4, 1253ter/8)