Verplichte bijdrage aan Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand krijgt basis

Wie door een strafgerecht wordt veroordeeld, zal binnenkort 20 euro moeten betalen aan het ?Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand?. Net als elke eisende partij in burgerlijke zaken. Extra inkomsten om het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand betaalbaar te houden.

Het aantal dossiers is de voorbije jaren immers aanzienlijk gestegen, onder meer door de invoering van de Salduz-wetgeving. De opbrengsten van het fonds zullen dan ook worden gebruikt om de advocaten belast met de juridische tweedelijnsbijstand te vergoeden én om deels de toenemende kosten te dekken verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand.

De Basiswet die vorm geeft aan het 'Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand' heeft al een heel parcours afgelegd, maar is op 31 maart toch in het Staatsblad geraakt. De bijdrageplicht zelf is wellicht nog niet voor morgen. Er zijn nog een pak uitvoeringsbepalingen nodig om het systeem effectief te kunnen toepassen.

Nu is al duidelijk wie de bijdrage zal moeten betalen en wie niet.

In strafzaken

Iedere door een strafrecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijke aansprakelijk persoon, zal in de toekomst de bijdrage moeten betalen aan het fonds. Behalve indien de partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet.

In strafzaken geldt bovendien dat de burgerlijke partij wordt veroordeeld tot het betalen van de bijdrage wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij en ze in het ongelijk wordt gesteld.

Het rechtscollege vereffent het bedrag in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. De FOD Financiën zal instaan voor de invordering volgens dezelfde regels als de invordering van de strafrechtelijke geldboeten.

In burgerlijke zaken

In burgerlijke zaken zal elke eisende partij een bijdrage verschuldigd zijn voor elke gedinginleidende akte die op een van de rollen wordt ingeschreven. Betalen moet op het moment van de inschrijving. Zonder betaling, wordt de zaak immers niet ingeschreven.

Op deze algemene regel gelden wel een aantal uitzonderingen. De bijdrage moet niet betaald worden

door personen die juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand genieten;

bij vorderingen op grond van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of artikel 53 tweede lid van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten van 3 juni 1970;

bij vorderingen bedoeld in artikelen 579 6°, 580, 581 en 582 1° en 2° van het Gerechtelijk wetboek ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk;

bij vorderingen inzake toelating tot de procedure collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/4 van het Gerechtelijk wetboek;

in bepaalde gevallen waar het openbare ministerie een vordering inleidt, bedoeld in artikel 138bis van het Gerechtelijk Wetboek. Onder andere vorderingen die de openbare orde raken en de bescherming beogen van kwetsbare personen (bv. vorderingen inzake ouderlijk gezag).

Ook hier vereffent het rechtscollege de bijdrage in de eindbeslissing die in de kosten verwijst.

20 euro

De bijdrage is voor iedereen gelijk. Het bedrag is wettelijk vastgelegd op 20 euro. Al kan dit bedrag wel variëren in de tijd. De bijdrage is immers gekoppeld aan de consumptieprijsindex. Telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, wordt de bijdrage met 10% vermeerderd of verminderd.

Eerst gerechtskosten en Slachtofferfonds

Het is niet de bedoeling dat het Slachtofferfonds door de nieuwe regeling minder inkomsten krijgt. De bijdrage aan het Fonds juridische tweedelijnstand zal dan ook pas worden toegerekend nadat men de gerechtskosten én de bijdrage aan het slachtofferfonds heeft betaald. Pas nadat de bijdrage aan het bijstandsfonds is betaald, zal de eventuele strafrechtelijke boete worden afgerekend.

Nog geen datum van inwerkingtreding

Het is nog niet duidelijk wanneer de regels in werking treden. Dat wordt pas duidelijk in een uitvoeringsbesluit. Opvallend is wel dat de wetgever de Koning geen deadline oplegt. In elk geval zullen de bepalingen van de wet pas van toepassing zijn op de zaken die worden ingeleid vanaf de datum van inwerkingtreding.

Bron: Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, BS 31 maart 2017.