Rolrechten mogen niet afhangen van waarde vordering

Het Grondwettelijk Hof vindt niet dat de rolrechten mogen gebaseerd worden op de waarde van de vordering. Het vernietigt die regeling. Maar ze mag voorlopig wel nog toegepast worden tot er nieuwe regels zijn, en uiterlijk tot 31 augustus 2017.

Koppeling aan waarde van vordering

Sinds 1 juni 2015 zijn de rolrechten hervormd. Een van de belangrijkste nieuwigheden is dat de rolrechten niet alleen meer afhangen van de aard van het rechtscollege, maar ook van de waarde van de vordering. De wetgever wou hiermee de rolrechten in verhouding brengen met de kosten die de behandeling van de zaak veroorzaakt. Hij ging ervan uit dat vorderingen met een lage waarde voor kleine werkingskosten zorgden en vorderingen met een hoge waarde meer kosten met zich meebrachten voor de rechtspraak.

Vernietigingsberoep

Heel wat instanties hebben bij het Grondwettelijk Hof een vernietigingsberoep ingesteld tegen deze rolrechtenregeling. Onder meer de Orde van de Vlaamse balies, de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie en Testaankoop deden dat. Zij stelden onder meer dat de nieuwe regeling het recht op toegang tot de rechter aanzienlijk beperkt voor rechtzoekenden met beperkte financiële middelen.

Waarde is geen pertinent criterium

Het Grondwettelijk Hof zegt dat het recht op toegang tot de rechter geen absoluut recht is. Financiële beperkingen kunnen voor zover zij geen afbreuk doen aan de essentie van het recht zelf. De beperkingen mogen er dus niet voor zorgen dat de rechtszoekende zijn geschil niet voor de bevoegde rechter kan brengen.

Het Hof onderzoekt of het onderscheid tussen de rechtzoekenden - op basis van de waarde van hun vordering - pertinent is om de hoofddoelstelling van de wetgever - de rolrechten in verhouding brengen met de werkingskosten - te verwezenlijken. En zijn besluit is duidelijk.

Volgens het Hof is er geen verband tussen de waarde van de vordering en de complexiteit ervan. En dus ook niet tussen de waarde van de vordering en de werkingskosten voor de rechtspraak. Vorderingen met een beperkt financiële inzet - bv. over een erfdienstbaarheid - kunnen bijzonder ingewikkeld zijn en bijgevolg een hoge werklast voor het gerechtelijke apparaat veroorzaken. Terwijl de behandeling van vorderingen met een hoge financiële inzet - bv. een hoge onbetaalde factuur - vrij eenvoudig kan zijn, en dus weinig kosten met zich meebrengt.

Het Hof besluit dan ook dat de waarde van de vordering geen pertinent criterium is om de rolrechten in verhouding te brengen met de werkingskosten van de rechtspraak. Het Hof vernietigt de regeling. De omvang van de vordering kan geen parameter zijn om de rolrechten te bepalen.

31 augustus 2017

De vernietigde rolrechtenregeling mag voorlopig wel verder toegepast worden. Tot uiterlijk 31 augustus 2017. De wetgever krijgt dus nog tot de start van het volgende gerechtelijke jaar om een nieuwe rolrechtenregeling uit te werken. Hiermee wil het Grondwettelijk Hof administratieve en budgettaire moeilijkheden vermijden.

Bron: GwH 9 februari 2017, nr. 13/2017

Bron: Wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen, BS 26 mei 2015

Zie ook:
W.Reg. (art. 2691, 2692, 2693 en 279/1)