Stage voor alle gerechtspersoneel (art. 60-72, 80-82, 251 Potpourri III-wet)

Vooraleer gerechtspersoneel definitief benoemd kan worden moet het een stage doorlopen. Die stage wordt aanzien als een evaluatieperiode. Zij komt in de plaats van de voorlopige benoeming.

Stage

Het overgrote deel van het gerechtspersoneel werd tot nu eerst voorlopig benoemd. Die voorlopige benoeming was er bv. voor referendarissen en parketjuristen bij hoven en rechtbanken, leden van de griffies en parketsecretariaten en personeelsleden verbonden aan de griffies, de parketsecretariaten en de steundiensten. Die voorlopige benoeming - bedoeld om na te gaan of de kandidaat geschikt is voor het ambt - wordt vervangen door een stage. Pas daarna kan een definitieve benoeming volgen.

Ook attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie moeten voortaan een stage doorlopen. Tot nu werden zij onmiddellijk definitief benoemd. Een voorlopige benoeming was er niet.

Evaluatieperiode

De stageperiode wordt beschouwd als een evaluatieperiode. De stagiair wordt pas definitief benoemd als hij na die evaluatieperiode de vermelding 'voldoet aan de verwachtingen' of 'uitzonderlijk' heeft gekregen. Of wanneer de beroepscommissie - na een verlengde stage - de benoeming zelf voorstelt.

Blijkt tijdens de stage dat de stagiair beroepsongeschikt is of maakt hij een zware fout, dan kan de beroepscommissie voorstellen om een eind te maken aan de stage.

Evaluatie gerechtspersoneel

De wetgever brengt ook enkele wijzigingen aan de evaluatieregels voor het gerechtspersoneel.

Belangrijke nieuwigheid is dat niet alleen het vast benoemd personeel wordt geëvalueerd. Maar nu dus ook de stagiairs.

De evaluatieprocedure voor het vastbenoemd personeel geldt in principe ook voor de stagiairs. Wel met enkele afwijkingen. Tijdens de stage zijn er bv. minstens drie functioneringsgesprekken, evenwichtig gespreid over de volledige evaluatieperiode. Elk functioneringsgesprek wordt afgesloten met een vermelding: 'uitzonderlijk', 'voldoet aan de verwachtingen', 'te verbeteren' of 'onvoldoende'.

Bij een vermelding 'onvoldoende' (bij een functioneringsgesprek) gaat het dossier van de stagiair naar de beroepscommissie voor de evaluatie en de stage. Zij beslist of de stage mag worden verdergezet. Zij kan ook een ontslagvoorstel doen. Zijn stagiair, evaluator en magistraat-korpschef het samen eens om de stage verder te zetten, dan gaat het dossier niet naar de beroepscommissie.

Als de stagiair op het einde van de stage de vermelding 'te verbeteren' of 'onvoldoende krijgt' gaat het dossier ook naar de beroepscommissie. Bij een 'onvoldoende' kan zij beslissen om de stage te verlengen of een ontslagvoorstel doen. Bij een 'te verbeteren' kan ze beslissen om de stage te verlengen of een benoemingsvoorstel te doen.

Als de verlengde stage eindigt met een 'te verbeteren' of een 'onvoldoende' kan de beroepscommissie een benoemings- of ontslagvoorstel doen.

De evaluatie - zowel die van het vastbenoemd personeel als van de stagiairs - gebeurt door de hiërarchisch meerdere van het personeelslid of de functionele chef aan wie de hiërarchisch meerdere de evaluatietaak delegeert. Voortaan wordt nu expliciet gesteld dat ook een magistraat hiërarchische meerdere of functionele chef kan zijn. En dus de evaluatie kan doen.

Evaluatie hoofdgriffier en hoofdsecretaris

Voor hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen (mandaathouders) gebeurt de evaluatie altijd door de korpschef. Als voorbereiding op het evaluatiegesprek maken beide personeelsleden voortaan een zelfevaluatie. Die wordt op voorhand doorgestuurd naar de evaluator en komt in het evaluatiedossier.

De wetgever legt ook vast wat er nog allemaal in hun evaluatiedossier moet zitten.

Beroepscommissie

De beroepscommissie voor de evaluatie en de stage krijgt een nieuwe samenstelling. Voortaan bestaat zij uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. Het personeelslid verschijnt dan voor de afdeling van zijn taal.

Per afdeling is er een voorzitter (magistraat) en vijf leden (gerechtspersoneel van niveau A of B). De minister van Justitie duidt de voorzitter aan en twee leden. De drie representatieve vakorganisaties duiden elk een lid aan. Er zijn ook plaatsvervangers (drie voorzitters en voor elke afdeling vijf leden). De helft van de leden en de plaatsvervangers (met uitzondering van de voorzitters) die de minister aanwijst wordt voorgedragen door het College van het openbaar ministerie, de andere helft door het College van de hoven en rechtbanken.

De beroepscommissie kan alleen nog de toegekende vermelding bevestigen of een gunstiger vermelding voorstellen. Ze kan geen minder goede vermelding meer geven.

Inwerkingtreding

De meeste van deze wijzigingen treden in werking op 1 juli 2016. Een aantal op 23 mei 2016.

Er zijn ook enkele overgangsregels. Zo zullen bv. de nieuwe regels voor de benoeming van gerechtspersoneel slechts van toepassing zijn op de procedures die gestart zijn na hun inwerkingtreding.

De beroepen die aanhangig zijn bij de beroepscommissie - samengesteld volgens de oude regels - mogen door haar verder afgehandeld worden.

Bron: Wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, BS 13 mei 2016 (art. 60?72, 80?82, 251 Potpourri III-wet)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 260?272 , art. 287ter-287quater)