Rechter zetelt alleen na één jaar in collegiale kamer (art. 68 en 70 Wet Burgerlijk Procesrecht)

Rechters in de rechtbank van eerste aanleg kunnen voortaan al alleen zetelen wanneer ze één jaar in een collegiale kamer hebben gezeteld. Tot nu moesten ze minstens drie jaar ervaring hebben in een collegiale kamer. Ook voor de voorzitter en de raadsheren van het hof van beroep die alleen zetelen komt er een versoepeling.

Rechtbanken van eerste aanleg

Voortaan volstaat één jaar ervaring als rechter of als magistraat van het openbaar ministerie om als alleenzetelende rechter in de rechtbank van eerste aanleg te zetelen. Tot nu was drie jaar ervaring vereist.

Die versoepeling is nodig omdat er minder collegiale kamers zullen zijn. Alleenzetelende rechters worden immers de regel, collegiale kamers kunnen nog enkel in uitzonderlijke omstandigheden. Omdat er minder collegiale kamers zijn zullen rechters ook niet meer zo makkelijk aan die drie jaar beroepservaring als rechter kunnen geraken. Vandaar dat één jaar beroepservaring als rechter of als magistraat van het openbar ministerie voortaan volstaat om alleen te kunnen zetelen.

Andere nieuwigheid is dat ook de plaatsvervangende magistraten voortaan alleen kunnen zetelen.

Hoven van beroep

De voorzitter en de raadsheren van het hof van beroep die alleen zetelen worden voortaan gekozen uit de raadsheren die al minstens één jaar zijn benoemd. Tot nu kwamen alleen raadsheren die al minstens drie jaar zijn benoemd in aanmerking om alleen te zetelen. Pas als die er niet waren, kon teruggegrepen worden naar raadsheren die minstens één jaar waren benoemd als raadsheer.

Ook hier is de reden dat er minder collegiale kamers zullen zijn waardoor maar weinig raadsheren hun ambt drie jaar collegiaal kunnen uitoefenen.

De alleenzetelende raadsheren worden nog steeds door de eerste voorzitter van het hof van beroep aangewezen, op schriftelijk en met redenen omkleed advies van de procureur-generaal.

Inwerkingtreding

De artikelen 68 en 70 van de wet van 19 oktober 2015 treden in werking op 1 november 2015.

Bron: Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015 (art. 68 en 70 Wet Burgerlijk Procesrecht)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 195 en 210)