Slechts heel uitzonderlijk nog collegiale kamers bij rechtbanken van eerste aanleg en hoven van beroep (art. 56-60 en 63 Wet Burgerlijk Procesrecht)

De kamers bij de rechtbanken van eerste aanleg zetelen vooral met alleenzetelende rechters. Die regel bestond al maar partijen (of in strafzaken ook het openbaar ministerie) konden tot nu wel nog kiezen voor een collegiale kamer met drie rechters. Nu niet meer dus. Enkel de voorzitter kan nog beslissen om de zaak toe te wijzen aan een collegiale kamer. En ook bij de hoven van beroep wordt de alleenzetelende rechter de regel. Door bijna nog uitsluitend te werken met kamers met één magistraat, moet er sneller recht kunnen gesproken worden.

Voorzitter

Voortaan kan enkel nog de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg beslissen om een zaak toe te wijzen aan een kamer met drie rechters. Hij doet dat ambtshalve en niet op vraag van een partij.

Hij kan kiezen voor een kamer met drie rechters wanneer dat te verantwoorden is op grond van de complexiteit van de zaak, het belang van de zaak of bijzondere objectieve omstandigheden. Bijvoorbeeld het delicaat, controversieel of mediatiek karakter van de zaak.

De beslissing van de voorzitter is een maatregel van inwendige aard. Hoger beroep is dus niet mogelijk.

Altijd met drie rechters

In aan aantal gevallen zetelt een kamer van de rechtbank van eerste aanleg altijd met drie rechters. Ook zonder beslissing van de rechtbankvoorzitter.

Worden automatisch toegewezen aan een kamer met drie rechters:

de strafzaken over misdaden waarop een straf staat van meer dan 20 jaar opsluiting;

het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank.

Bij strafuitvoeringszaken behouden de kamers hun specifieke samenstelling.

Hoven van beroep

Ook bij de kamers van de hoven van beroep zien we een gelijkaardige rationalisering.

Hoofdregel is een kamer met één raadsheer. De eerste voorzitter kan een zaak wel ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen. Ook hier enkel maar als dit nodig is wegens de complexiteit van de zaak, het belang ervan of een andere bijzondere objectieve omstandigheid.

Het hoger beroep tegen beslissingen in strafzaken blijft - tenzij het uitsluitend betrekking heeft op burgerlijke vorderingen of enkel nog op dergelijke vorderingen - bij een kamer met drie raadsheren.

Inwerkingtreding

De art. 56 tot 60 en 63 van de wet van 19 oktober 2015 treden in werking op 1 januari 2016.

Er is wel voorzien in een overgangsregeling voor de hangende zaken. De nieuwe regels zijn in principe ook van toepassing op de op 1 januari 2016 hangende zaken, behalve in volgende gevallen:

wanneer in de zaak in dezelfde aanleg al een andere zitting (buiten de inleidingszitting) heeft plaatsgevonden met drie rechters of drie raadsheren;

wanneer de zaak op 1 september 2015 naar een kamer met drie rechters of raadsheren was verwezen op vraag van een partij;

wanneer de voorzitter of eerste voorzitter de verwijzing van de zaak of zaken naar een kamer met drie rechters of raadsheren bevestigt. De (eerste) voorzitter moet niet zaak per zaak nagaan of het nog aangewezen is de zaak te laten behandelen door een collegiale kamer. Het volstaat dat hij de behandeling van zaken door een collegiale kamer zonder formaliteiten bevestigt.

In die uitzonderingsgevallen blijft de zaak na 1 januari 2016 dus in handen van een kamer met drie rechters of raadsheren.

Bron: Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015 (art. 56?60, 63 en 84 Wet Burgerlijk Procesrecht)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 78, 91, 92, 92bis, 99bis en 109bis)