Inkomensgarantie voor ouderen wordt aanzienlijk vereenvoudigd

De berekening van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) wordt aanzienlijk vereenvoudigd omdat de bestaansmiddelenonderzoeken in de praktijk vaak moeizaam verliepen. Bovendien worden de categorieën van gerechtigden uitgebreid. Ons land volgt de Europese regels op dit vlak.

Inkomensgarantie

De inkomensgarantie voor ouderen vanaf 65 jaar is een uitkering voor bejaarden die niet over voldoende financiële middelen beschikken. De uitkering is gekoppeld aan een reeks voorwaarden op het vlak van leeftijd, nationaliteit en woonplaats.

De inkomensgarantie wordt toegekend na een grondig onderzoek van de bestaansmiddelen en de pensioenen van de kandidaat. Ook de bestaansmiddelen van degene waarmee de gerechtigde samenwoont, kunnen een rol spelen.

De regeling is opgenomen in een wet van 22 maart 2001. En nu is een update van die regels aan de orde. Een wet van 8 december 2013 introduceert een nieuwe benadering van het concept 'samenwonen', en de categorieën van gerechtigden worden aangepast aan de Europese regelgeving.

Samenwonen

De inkomensgarantie voor ouderen is een individueel recht, maar de 'samenwoonst' is cruciaal voor de berekening. Het maximumbedrag dat iemand kan ontvangen, is immers hoger (verhoogd basisbedrag) voor een alleenwonende. En de vorm van samenwonen bepaalt van welke personen men de pensioenen en bestaansmiddelen in aanmerking neemt, en welke deler men toepast op die som.

Op dit moment worden de pensioenen en bestaansmiddelen van alle samenwonenden samengeteld en gedeeld door het aantal samenwonenden, met inbegrip van de IGO-aanvrager. Dit impliceert dat de uitkering geweigerd wordt als één van hen niet meewerkt aan het bestaansmiddelenonderzoek. Het recht op een IGO moet ook telkens opnieuw onderzocht worden als er zich een wijziging voordoet in het aantal personen dat dezelfde hoofdverblijfplaats deelt.

Aanpassingen

Om een en ander te vereenvoudigen en om misbruiken tegen te gaan, past de nieuwe wet de toepassing van de 'deler' aan. De toekenning van het (verhoogd) basisbedrag wordt aangepast, en de regeling voor wie in een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis verblijft, wordt uitgebreid.

Via KB's van 5 juni 2004 en 11 mei 2005 kwamen er al aparte regelingen voor kinderen die hun ouders in huis opnemen en voor leden van kloostergemeenschappen. Maar nu wordt de basiswet zelf aangepast.

1/ Deler.

Kinderen worden niet meer in de deler opgenomen om misbruiken te voorkomen. Uitzondering hierop zijn de kinderen en adoptiekinderen (eerste graad) van de betrokkene (en/of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende) waarvoor kinderbijslag wordt genoten, en geplaatste kinderen, na een gerechtelijke beslissing. Anderzijds zal een IGO-gerechtigde zijn ouders bij zich in huis kunnen opnemen of houden, zonder dat dit een impact op de IGO hoeft te hebben.

De IGO-gerechtigde die samenwoont met enkel een minderjarige of met een meerderjarig kind waarvoor kinderbijslag wordt betaald, heeft recht op het verhoogd bedrag, zoals nu al het geval is. We noteren dus enkel een wijziging op het vlak van het in aanmerking nemen voor de deler.

2/ Toekenning.

De rechthebbende die gaat samenwonen met een bloed- of aanverwant in rechte lijn wordt beschouwd als een alleenstaande. Het verhoogde bedrag wordt toegekend. De regeling die al bestond voor de recht neergaande lijn zoals kinderen en kleinkinderen, wordt uitgebreid tot de ouders.
Bij het bestaansmiddelenonderzoek wordt enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen van de gerechtigde zelf. Bovendien zal de wettelijk samenwonende partner van inwonende ouders of kinderen voortaan gelijkgesteld worden met een aanverwant.

Wie enkel samenwoont met de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner wordt beschouwd als 'deel uitmakend van een partnerschap waarbij kosten en inkomsten gedeeld worden'. Het basisbedrag wordt toegekend.
Bij het bestaansmiddelenonderzoek wordt rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen van beide personen. De bestaansmiddelen worden gedeeld. Echtgenoot en wettelijk samenwonende worden voortaan op dezelfde manier behandeld.

Wie enkel samenwoont met één andere persoon, die niet de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner is en die evenmin een bloed- of aanverwant in rechte opgaande of neergaande lijn is, heeft recht op het basisbedrag.
Enkel de eigen pensioenen en bestaansmiddelen worden in aanmerking genomen. De aanvrager is dus niet afhankelijk van de medewerking van de samenwonende(n).

Dit alles zorgt ervoor dat het bedrag van de toegekende IGO stabiel blijft als het aantal personen dat dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, toeneemt of afneemt. En er moeten geen bestaansmiddelen meer worden opgevraagd, behalve in het geval dat men samenwoont met een echtgenoot of een wettelijk samenwonende partner.

3/ Rusthuis.

Bij opname in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis ontvangt de betrokkene het verhoogd basisbedrag:

Als hij gehuwd of wettelijk samenwonend is en zijn thuisadres behoudt, wijzigen de in aanmerking genomen pensioenen en bestaansmiddelen niet. Met toepassing van de verhoogde algemene vrijstelling voor de bestaansmiddelen. Als de IGO-gerechtigde geen echtgenoot of geen wettelijk samenwonende partner heeft op zijn thuisadres, wordt er enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen van de gerechtigde zelf.

Als hij gehuwd of wettelijk samenwonend is en zijn adres wijzigt naar het adres van de instelling waar hij verblijft, wordt enkel rekening gehouden met de eigen pensioenen en bestaansmiddelen. Met toepassing van de verhoogde algemene vrijstelling voor de bestaansmiddelen.

Als de achterblijvende partner aan de leeftijds- en nationaliteitsvoorwaarden voldoet, kan ook hij aanspraak maken op het verhoogd basisbedrag.

Categorieën

De wet van 8 december 2013 breidt de categorieën van gerechtigden op een IGO uit met onderdanen van landen die het herziene Europees Sociaal Handvest hebben ondertekend. Naast de landen die tot de EU en de EER behoren, gaat het om: Albanië, Andorra, Armenië, Azerbaijan, Bosnië-Herzegovina, Georgië, Moldavië, Montenegro, Rusland, Servië, Macedonië, Turkije, Oekraïne.

Onderdanen van een van deze landen hebben enkel op basis van hun nationaliteit recht op de IGO als men 65 jaar oud is en over onvoldoende bestaansmiddelen beschikt. Deze uitbreiding zal ingaan op een door de Koning te bepalen datum.

Bovendien werd er nog een extra van gerechtigden ingevoegd. Tegen 21 december 2013 moet ons land Richtlijn 2011/95 omzetten. Die zorgt voor een uniforme status voor vluchtelingen en personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming.
Europa bepaalt dat de lidstaten personen met een subsidiaire beschermingsstatus voor wat betreft de sociale bijstand op gelijke wijze moeten behandelen als hun eigen onderdanen. Vandaar dat de Belgische wetgever de genieters van een subsidiaire beschermingsstatus nu onderbrengt bij de categorieën van vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een inkomensgarantie voor ouderen. Logischerwijs gebeurt dit met ingang van 21 december 2013.

In werking

De wet van 8 december 2013 treedt globaal genomen in werking op 1 januari 2014.

Er geldt wel een overgangsregeling. Personen aan wie al vóór 1 januari 2014 een IGO werd toegekend, behouden het op basis van de vorige regeling toegekende IGO-bedrag tot op het moment dat het ambtshalve of op aanvraag wordt herzien naar aanleiding van een feit dat zich voordoet ten vroegste vanaf 1 januari 2014. De herziening van het recht op IGO zal dan gebeuren volgens de nieuwe regels.

Bron: Wet van 8 december 2013 tot wijziging van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, 16 december 2013