Nieuw beschermingsstatuut voor wilsonbekwamen

België vereenvoudigt het statuut van wilsonbekwame personen. Vanaf 1 juni 2014 bestaat er nog maar één globale beschermingsstatus waarbij men vertrekt vanuit het principe dat kwetsbare personen (zoals verstandelijk gehandicapten, dementerenden, enz.) hun rechten zoveel mogelijk zelf moeten kunnen uitoefenen. Het huidige systeem van ?voorlopig bewind' m.b.t. goederen geldt als basis, maar werd uitgebreid naar personen. Verder komt er een duidelijk onderscheid tussen meerder- en minderjarigen, krijgt de vrederechter een cruciale rol en wordt de vertrouwenspersoon geherwaardeerd.

Eén actueel, globaal statuut

Op 1 juni 2014 worden de huidige statuten voor wilsonbekwamen (zoals het voorlopig bewind, de verlengde minderjarigheid en de bijstand door een gerechtelijk raadsman) opgeheven en geïntegreerd in een algemeen beschermingsstatuut. De systemen zijn complex, achterhaald, en voldoen niet aan de eisen uit internationale mensenrechtenverdragen zoals de recente Aanbeveling van de Raad van Europa over de juridische bescherming van meerderjarige onbekwame en aan het VN-Verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap.

Voorlopig bewind als basis

Het nieuwe systeem, dat gebaseerd is op het huidige stelsel ?voorlopig bewind' laat de vrederechter toe om een bescherming op maat te moduleren waarbij in de eerste plaats naar de mogelijkheden van de betrokkene wordt gekeken.

De rechter beslist voor welke beslissingen de betrokkene bescherming en begeleiding nodig heeft van een bewindvoeder. Hierbij wordt aandacht geschonken aan het onderscheid tussen handelingen die de persoon raken en handelingen die betrekking hebben op het beheer van goederen. De bewindvoerder is in beide situaties bij voorkeur dezelfde persoon, tenzij dit strijdig zou zijn met de belangen van de beschermde persoon. De rechter kan op ieder moment en op vraag van elke betrokkene de onbekwaamheid herbekijken. Om de rechters te helpen bij deze beslissingen, heeft de wetgever de belangrijkste handelingen m.b.t. de persoon en de goederen waarbij hij een beslissing moet nemen, opgelijst.

De beschermde persoon wordt voortaan ook meer betrokken in het besluitvormingsproces. De vrederechter en de bewindvoerder moeten hem voldoende informatie geven, luisteren en rekening houden met zijn wil.

Figuur van vertrouwenspersoon opgewaardeerd

De figuur van de vertrouwenspersoon wordt belangrijker. Wanneer een beschermde persoon zelf geen vertrouwenspersoon heeft aangewezen, kan de vrederechter de mogelijkheid tot aanstelling van een vertrouwenspersoon onderzoeken door consultatie van het sociale netwerk. Hij wint hierbij het advies in van eventuele echtgenoten, familieleden, personeelsleden van de inrichting waar de beschermde persoon verblijft, enz.

De aanstelling van een vertrouwenspersoon is nog steeds geen verplichting, maar wordt wel aangemoedigd. In de praktijk blijkt deze figuur immers een belangrijke meerwaarde te vormen als tussenpersoon.

In dit kader wordt onder meer ook de figuur van de toeziende voogd afgeschaft.

Buitengerechtelijke beschermingsregeling voor vermogensrechtelijke handelingen

Voor vermogensrechtelijke handelingen kan ook gekozen worden voor een buitengerechtelijke beschermingsregeling boven een regeling die door de vrederechter is opgelegd.

Deze regeling wil een rechtsbasis verlenen aan

de voortzetting van het mandaat van de aangewezen lasthebber indien de lastgever wilsonbekwaam wordt om de handelingen zelf te stellen;

de aanwijzing van een lasthebber voor de tijd dat men wilsonbekwaam wordt om zelf vermogensrechtelijke handelingen te stellen.

De lastgeving moet aangemeld worden bij de vrederechter op straffe van aansprakelijkheid van de aangestelde lasthebber.

Duidelijk onderscheid minderjarigen en meerderjarigen

Er worden geen wijzigingen aangebracht in het statuut voor minderjarigen. Onder ?beschermde persoon' wordt dan ook alleen de meerderjarige verstaan die onder een rechterlijke beschermingsmaatregel werd geplaatst volgens (het nieuwe) artikel 492-2 van het Burgerlijk Wetboek.

Concrete gevolgen

De nieuwe beschermingsstatus brengt op heel wat gebieden nieuwigheden met zich mee. We overlopen enkele specifieke situaties:

1. Machtigingsregime

De vrederechter oordeelt bij het instellen van de beschermingsstatus uitdrukkelijk of de beschermde persoon handelingsonbekwaam is voor

het aangaan van een huwelijk;

het instellen van een vordering tot nietigverklaring van het huwelijk;

het instellen van een vordering tot echtscheiding;

de erkenning van een kind; - het instellen van een afstammingsvordering;

het schenken en testeren;

het opstellen van een huwelijkscontract.

Oordeelt de vrederechter dat de betrokkene handelingsonbekwaam is, dan nog kan die tijdens het bewind de machtiging vragen aan de vrederechter om de handeling te stellen. Bij de schenking geldt ook als criterium dat de betrokkene zichzelf of zijn onderhoudsgerechtigden niet behoeftig mag maken.

De opgesomde handelingen kunnen niet door de bewindvoerder worden uitgevoerd. De vrederechter kan hem wel machtigen alleen op te treden bij het opstellen van een huwelijkscontract.

2. Adviesverlening
Voor de toestemming tot erkenning van een kind, het verzet tegen een gerechtelijk onderzoek naar ouderschap of de toestemming bij adoptie moet de vrederechter zich bij het instellen van het beschermingsstatuut uitdrukkelijk uitspreken over de wilsonbekwaamheid. Die beslissing kan ook toekomen aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt.

Oordeelt de vrederechter of de rechter dat de beschermde persoon wilsonbekwaam is, dan is hij verplicht om de beschermde persoon of zijn vertrouwenspersoon (wanneer de beschermde zijn mening niet kan uiten) te horen en rekening te houden met deze mening.

Ook hier kan de bewindvoerder de handelingen niet in de plaats van de beschermde persoon stellen.

3. Beoordeling door andere ouder of echtgenoot
Wanneer een ouder of echtgenoot afwezig is, uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard, door de vrederechter/rechter wilsonbekwaam werd verklaard of niet in staat zijn wil te uiten, oordeelt de andere ouder of echtgenoot alleen over onder meer de keuze van de gezinswoning of de beschikking van de gezinswoning.

De bewindvoerder is in deze gevallen niet bevoegd om in de plaats van de beschermde persoon op te treden.

4. Rechtsonbekwaamheid
De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt met betrekking tot de persoon, legt uitdrukkelijk de handelingen vast waarvoor de betrokkene onbekwaam is. Voor alle andere handelingen in verband met zijn persoon blijft de betrokkene bekwaam. Het gaat hier onder meer over de keuze van de verblijfplaats, de toestemming geven om te huwen, het wegnemen van organen, ?

Een gelijkaardige regeling voor een rechterlijke beschermingsmaatregel t.a.v. goederen. Ook hier legt de vrederechter uitdrukkelijk vast of de betrokkene onbekwaam is voor bijvoorbeeld het aangaan van een lening, het in pand geven of hypothekeren van goederen, het afsluiten van een pachtcontract, het aanvaarden van een schenking, het voorzetten van een handelszaak of het aanvaarden van een erfenis.

5. Wilsonbekwaamheid beoordeeld door geneesheer

De vrederechter moet uitdrukkelijk oordelen over de bekwaamheid tot

de uitoefening van patiëntenrechten;

het verlenen van toestemming om een experiment op de menselijke persoon uit te voeren.

Maar wanneer iemand onbekwaam wordt verklaard, kan die alsnog deze rechten zelf en zelfstandig uitoefenen. In dit geval moet een geneesheer hierover oordelen. De onbekwaamverklaring is nodig om de bewindvoerder bevoegd te maken om te rechten uit te oefenen.

6. Vrederechter kan oordelen

De vrederechter kan iemand onbekwaam verklaren om

zijn politieke rechten uit te oefenen;

toestemming te geven tot sterilisatie;

toestemming te geven tot medisch begeleide voortplanting;

een geslachtswijziging aan te vragen;

te verzoeken om euthanasie;

te verzoeken tot de uitvoering van een abortus;

toestemming te geven tot het gebruik van gameten of embryo?s in vitro voor wetenschappelijke doeleinden;

toestemming te geven tot afname van bloed of bloedderivaten;

toestemming te geven tot het stellen van handelingen die de fysieke integriteit of intieme levenssfeer van de beschermde persoon raken.

Maar de vrederechter moet zich hierover niet uitdrukkelijk uitspreken. Is er geen uitspraak, dan blijft de betrokkene handelingsbekwaam.

7. Bewindvoerder

In volgende gevallen kan de bewindvoerder optreden in de plaats van een persoon die door een vrederechter uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard:

de keuze van de verblijfplaats;

het verweer tegen een ingestelde vordering tot nietigverklaring van het huwelijk;

het verweer tegen een ingestelde echtscheidingsvordering of scheiding van tafel en bed;

het voeren van afstammingsgedingen als verweerder;

het afleggen van een verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit;

het verzoeken tot naams- of voornaamswzijiging;

het verlenen van toestemming tot het wegnemen van organen.

2 wetten

De hervorming wordt doorgevoerd via 2 wetten waarvan de wet van 17 maart 2013 de hoofdbrok vormt. Deze wet wijzigt onder meer het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering, het Strafwetboek, het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten, de kinderbijslagwet voor werknemers, het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van de Belgische Nationaliteit, de wet van 22 augustus 2002 op de patiëntenrechten, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de KBO-wet van 16 januari 2003 en de Basiswet van 12 januari 2005 op het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden zodat in al deze akten rekening wordt gehouden met het nieuwe statuut.

De wet van 21 januari 2013 zorgt voor aanpassingen in het Kieswetboek en de Strafuitvoeringswet.

Beide wetten treden in werking op 1 juni 2014, de eerste dag van de 12de maand na bekendmaking. Dan zouden de nodige uitvoeringsbepalingen op punt moeten staan. Logischerwijs heeft de wetgever voorzien in een hele rist overgangsbepalingen zodat de rechtspraktijk voldoende tijd heeft om zich aan de nieuwe regels aan te passen.

Bron: Wet van 21 januari 2013 tot wijziging van het Kieswetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, ingevolge de instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, BS 14 juni 2013.

Bron: Wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, BS 14 juni 2013.

Zie ook
Wetsvoorstel tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen, Parl. St. Kamer 2013, 53K1009/001.