Preferentiële toewijzing gezinswoning, huisraad en beroepsgoederen aangepast

De regels rond de preferentiële toewijzing van de gezinswoning, het huisraad en de beroepsgoederen bij overlijden of scheiding worden aangepast.

Belangrijke wijziging is dat preferentiële toewijzing voortaan mogelijk is, ongeacht het gekozen huwelijksvermogensstelsel. Echtgenoten kunnen de preferentiële toewijzing van de gezinswoning, het huisraad en van bepaalde beroepsgoederen vorderen wanneer die behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of - voortaan ook - tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is.

Voortaan is ook duidelijk dat de preferentiële toewijzing van de gezinswoning en het huisraad niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Men kan de preferentiële toewijzing vorderen van de gezinswoning en de huisraad samen, of hetzij van de huisraad, hetzij van de gezinswoning.

Voor de preferentiële toewijzing van beroepsgoederen moet men rekening houden met het nieuwe huwelijksvermogensrechtelijk statuut van beroepsgoederen. Wat betekent dat - bij het wettelijk stelsel - de preferentiële toewijzing enkel nog kon gevorderd worden als het gaat om goederen die niet exclusief worden aangewend voor de uitoefening van het beroep of de uitbating van het bedrijf van een echtgenoot. Of wanneer de goederen door beide echtgenoten worden aangewend voor de gezamenlijke uitoefening van hun beroep of de gezamenlijke uitbating van hun bedrijf. In die gevallen is er immers geen toewijzing van rechtswege aan het eigen vermogen.

De preferentiële toewijzing bij echtscheiding kan enkel nog gevorderd worden bij een echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting. En niet bij een echtscheiding door onderlinge toestemming. In dat geval moeten de echtgenoten de eventuele preferentiële toewijzing immers zelf regelen in de regelingsakte.
Als het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding, door scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen houdt de familierechtbank bij haar beslissing voortaan rekening met de belangen van elke echtgenoot en met de financiële mogelijkheden van degene die eventueel een opleg moet betalen.

De artikelen 8 en 9 van de wet van 22 juli 2018 treden in werking op 1 september 2018. Er is voorzien in overgangsregels.

Bron: Wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake, BS 27 juli 2018 (art. 8 en 9)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 1389/1 en 1389/2)