Familierechtbank mag omgangsrecht alleen weigeren als het ingaat tegen belang van kind

Grootouders hebben al geruime tijd het recht om persoonlijk contact met hun kleinkind te onderhouden. Ook wie aantoont dat hij met een kind een bijzondere affectieve band heeft, bv. een pleegouder, kan zich op een omgangsrecht beroepen. Geraken partijen het niet eens over een omgangsrecht, dan kan de familierechtbank hierover beslissen. En die familierechtbank kan dat omgangsrecht voortaan alleen nog weigeren als het ingaat tegen het belang van het kind. Als het persoonlijk contact niet ingaat tegen het belang van het kind, moet de rechter het omgangsrecht dus voortaan toestaan.

Daarnaast neemt de wetgever maatregelen om de inleidende zittingen voor de familierechtbank op een uniforme wijze te laten verlopen. Bij de verschijning van de partijen op de inleidingszitting hoort de rechter hen over de manier waarop ze - vóór de inleiding van de zaak - getracht hebben om hun geschil op minnelijke wijze op te lossen. Hij probeert op die manier vast te stellen of een minnelijke oplossing tot de mogelijkheden behoort.
Hij kan - op vraag van de partijen of als hij dat zelf nuttig vindt - de zaak verdagen naar een vaste datum. In principe voor hoogstens één maand, tenzij partijen akkoord gaan met een langere periode. Bedoeling is dat partijen tijdens de periode waarin de zaak verdaagd is gaan onderzoeken of hun geschil geheel of gedeeltelijk minnelijk kan opgelost worden en hierover de nodige inlichtingen gaan inwinnen.
De rechter kan de zaak ook zelf of op vraag van de partijen doorverwijzen naar de kamer voor minnelijke schikking. Dit met het oog op een verzoening.

De familierechtbank moet de partijen niet meer expliciet wijzen op de mogelijkheid om hun geschil minnelijk op te lossen. Zij zijn van de mogelijkheid immers al op de hoogte gebracht door de griffier op het ogenblik van de inleiding van het geding.

De nieuwe wet van 15 juni 2018 is in werking getreden op 12 juli 2018.

Bron: Wet van 15 juni 2018 tot wijziging van artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1253ter/1, 1253ter/3 en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, BS 2 juli 2018