Grondwettelijk Hof: aanhoudingsbevel niet ondertekend of gemotiveerd, dan invrijheidstelling

Blijkt een bevel tot aanhouding niet gemotiveerd of werd het niet ondertekend door de onderzoeksrechter, dan moet de persoon wiens vrijheid is benomen, in vrijheid worden gesteld. De motivering én ondertekening zijn substantiële vormvereisten, aldus het Grondwettelijk Hof. Dat ze geschrapt werden door de Wet van 21 december 2016 schendt artikel 12 van de Grondwet dat de uitdrukkelijke motivering van de bevelen tot aanhouding oplegt als waarborg tegen willekeur. Het Hof heeft dan ook het betrokken artikel 7, 4° en 5° van de wet vernietigd.

Om te vermijden dat de aanhoudingsbevelen die op basis van de vernietigde bepalingen zijn genomen opnieuw in vraag zouden worden gesteld, worden de gevolgen van de betrokken bepalingen gehandhaafd. Meer concreet ten aanzien van alle aanhoudingsbevelen die op basis van de vernietigde bepalingen zijn verleend vóór 1 september 2018.

Achtergrond

De wet van 21 december 2016 heeft de rechten bij verhoor in strafprocedures aanzienlijk verruimd. Maar meteen na de publicatie ervan trok de 'Orde des Barreaux francophones et germanophone' naar het Grondwettelijk Hof met de vraag artikel 7, 4° en 5° te vernietigen. Met dit artikel werd immers de zin geschrapt vervat in artikel 16 van de Wet Voorlopige Hechtenis van 20 juli 1990 en op basis waarvan een persoon van wie de vrijheid is benomen, in vrijheid moeten worden gesteld indien blijkt dat het bevel van aanhouding niet is gemotiveerd (artikel 16 §5, tweede lid) of door de onderzoeksrechter niet is ondertekend (artikel 16, §6, eerste lid). En dat is volgens de Ordre een schending van het recht op vrijheid en veiligheid en zet het de deur open voor willekeur.

Arrest Grondwettelijk Hof

Het Hof is die redenering in zijn arrest gevolgd. De tussenkomst van de rechter vormt een grondwettelijke waarborg. Bovendien heeft de wetgever een noodzakelijke vormvereiste afgeschaft die ertoe strekt de inachtneming te waarborgen van de inhoudelijke vereiste volgens welke de vrijheidsberoving uitzonderlijk moet blijven, waarin de vereiste van uitdrukkelijke motivering van de beslissing tot vrijheidsberoving is verankerd in artikel 12 van de Grondwet.

Het Hof stelt meer concreet het volgende: 'De ondertekening van het bevel tot aanhouding door de rechter die het verleent, is een substantiële vormvereiste. De afschaffing, bij artikel 7, 5°, van de bestreden wet, van de sanctie van de invrijheidstelling van de gedetineerde wegens het ontbreken van de handtekening van de onderzoeksrechter heeft tot gevolg dat de niet-naleving van die vormvereiste niet langer wordt gesanctioneerd. Alleen de handtekening van de onderzoeksrechter waarborgt dat het bevel tot aanhouding wel degelijk van die magistraat uitgaat. Gelet op het essentiële karakter van het recht op persoonlijke vrijheid, vormt de niet-nakoming van een dergelijke formaliteit, zelfs in geval van overmacht, een ernstige en bijgevolg onherstelbare onregelmatigheid. Het bestreden artikel 7, 5°, schendt de in het middel beoogde bepalingen en wordt daarom vernietigd.

Artikel 12, derde lid, van de Grondwet maakt het slechts mogelijk afbreuk te doen aan het bij het eerste lid ervan gewaarborgde recht op de vrijheid van de persoon voor zover de persoon het voorwerp uitmaakt van een aanhouding bij een met redenen omkleed bevel van een rechter dat binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend. Het kan worden aanvaard dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, « de onderzoeksgerechten die de wettigheid van het bevel tot aanhouding moeten onderzoeken, [bevoegd zijn] om de redenen ervan te verbeteren door ofwel een foutieve reden door een juiste reden te vervangen, dan wel de eventuele vergissingen te verbeteren waardoor het bevel is aangetast, voor zover die [?] geen onherstelbaar gebrek opleveren ». Door toe te laten dat het bevel tot aanhouding geen motivering bevat, schendt de bestreden bepaling echter artikel 12 van de Grondwet. Artikel 7, 4°, van de wet van 21 november 2016 wordt daarom vernietigd.'

Bron: GwH 5 juli 2018, nr. 91/2018.

Zie ook
Wet van 21 december 2016 betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord, BS 24 november 2016.