In ongelijk gesteld OM betaalt toch rechtsplegingsvergoeding bij tussenkomst in burgerlijke procedures

De overheid moet voortaan toch een rechtsplegingsvergoeding betalen wanneer het openbaar ministerie met een rechtsvordering tussenkomt in burgerlijke procedures en in het ongelijk wordt gesteld.

Geen rechtsplegingsvergoeding

Vroeger was het Grondwettelijk Hof van mening dat overheidsorganen die optraden in het kader van het algemeen belang niet kunnen veroordeeld worden tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. Zij moeten immers hun rechtsvorderingen in alle onafhankelijkheid kunnen uitoefenen zonder rekening te houden met het financiële risico dat aan een rechtszaak verbonden is. De wetgever heeft daarom in 2010 zijn wetgeving aangepast en gesteld dat de overheid niet kan veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding

wanneer het OM met een rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt (op grond van artikel 138bis, §1 Ger.W.);

wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten (op basis van artikel 138bis, §2).

Deze regels zijn nu - acht jaar later- nog altijd niet in werking getreden. Het is nog wachten op een KB dat de inwerkingtreding regelt. Maar intussen worden ze wel al gewijzigd door de nieuwe wet van 18 maart 2018.

Afzwakking in burgerlijke procedures

Sinds enkele jaren houdt het Grondwettelijk Hof er een andere mening op na. Die veranderde houding is er gekomen omdat de wetgever zelf zijn visie uitdrukkelijk heeft gewijzigd, via de wet van 20 januari 2014. Daarin voorziet hij expliciet - bij de Raad van State - in de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaten van de in het gelijk gestelde partij, ongeacht de betrokken partijen.

Het Grondwettelijk Hof concludeert hieruit dat het nastreven van het algemeen belang door een partij niet uitsluit dat ze kan veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding als ze in het ongelijk is gesteld. De wetgever heeft volgens het Hof immers zelf aanvaard dat het opleggen van de rechtsplegingsvergoeding de onafhankelijkheid van de overheden niet bedreigt wanneer zij - als partij in een rechtszaak - hun opdrachten van algemeen belang verzekeren.

Daarom stelt het Hof dat de rechtsplegingsvergoeding - voor de burgerlijke rechtscolleges - geldt voor alle partijen ongeacht of het gaat om privépersonen of om overheden die handelen in het algemeen belang.

Wetgever volgt

De wetgever volgt de visie van het Grondwettelijk Hof, en brengt zijn eerdere in 2010 doorgevoerde wijzigingen hiermee in overeenstemming.

De regel dat de overheid in geen geval een rechtsplegingsvergoeding moet betalen wanneer het openbaar ministerie in burgerlijke procedures tussenkomt via een rechtsvordering, wordt geschrapt. Wat betekent dat - als het OM in het ongelijk wordt gesteld - de overheid toch een rechtsplegingsvergoeding dient te betalen. 

Wat wel overeind blijft is het verbod om de rechtsplegingsvergoeding op te leggen aan de overheid wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten. In dat geval stelt het arbeidsauditoraat immers een vordering in

die vergelijkbaar is met de strafvordering die het OM instelt voor de strafgerechten. Die vordering heeft tot doel het plegen van een misdrijf vast te stellen, en niet louter een herstel van burgerlijke aard;

die - anders dan bij een burgerlijke vordering - de strafvordering doet vervallen.

Inwerkingtreding

Artikel 24 van de wet van 18 maart 2018 voert deze wijziging door in het nog niet in werking getreden artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 dat artikel 1022 Ger.W. heeft aangepast. Die wijziging aan artikel 2 is in werking getreden op 12 mei 2018.

Bron: Wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht , BS 2 mei 2018 (art.?24)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art.?1022)
RvS-wet (art. 30/1)
GwH 21 mei 2015, nr.?68/2015
GwH 21 mei 2015, nr.?69/2015
GwH 21 mei 2015, nr.?70/2015
GwH 3 maart 2016, nr.?34/2016