Geen inbreng meer voor of door langstlevende echtgenoot (art. 39 Wet nieuw erfrecht)

De wetgever schaft de inbreng ten voordele of ten laste van de langstlevende echtgenoot af.

Wanneer een langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende in samenloop komt met afstammelingen van de erflater dan heeft hij intestaat enkel recht op het vruchtgebruik in de nalatenschap. De afstammelingen hebben enkel recht op de blote eigendom. Inbreng door de langstlevende of door de afstammelingen heeft in die gevallen dus geen zin. Tussen beide categorieën moet er immers geen gelijkheid zijn.

De langstlevende moet daarom de giften niet meer inbrengen. Aan de andere kant kan de langstlevende ook geen inbreng eisen van de giften die aan de andere erfgenamen zijn gedaan.

Er is wel één uitzondering op die regel: de langstlevende echtgenoot krijgt bij overlijden van de schenker ook het vruchtgebruik op de goederen die de schenker heeft geschonken aan zijn kinderen of aan anderen, als de schenker zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden. De begiftigde met de 'blote eigendom' moet dus een bijzondere vorm van inbreng ondergaan. De langstlevende verkrijgt - als wettelijke erfgenaam - op die manier het oorspronkelijk door de erflater in eigen voordeel voorbehouden vruchtgebruik.

Let wel op. De langstlevende krijgt het vruchtgebruik niet indien de schenker nog niet met de langstlevende echtgenoot gehuwd was op het moment van de schenking. Bovendien kan de langstlevende zelf afzien van het vruchtgebruik. Gebeurt de verzaking bij leven van de erflater, dan moet dit via een erfovereenkomst geregeld worden.

Een gelijkaardige inbreng geldt trouwens ook ten voordele van de langstlevende wettelijke samenwonende. Die heeft recht op het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen diende als gemeenschappelijke verblijfplaats en de daarin aanwezige huisraad, als de schenker die goederen geschonken heeft met voorbehoud van het vruchtgebruik.

De nieuwe wet van 31 juli 2017 treedt in werking op 1 september 2018.

Bron: Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, BS 1 september 2017 (art. 39 Wet nieuw erfrecht)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 858bis)