Nieuwe inkortingsregels (art. 54 tot 59 Wet nieuw erfrecht)

De wetgever past de inkortingsregels voor schenkingen en legaten aan. Inkortingen gebeuren - op enkele uitzonderingen na - enkel nog in waarde, niet meer in natura. De waardering van de schenkingen gebeurt op basis van de waarde op de dag van de schenking, weliswaar geïndexeerd tot op de dag van overlijden. En er komen ook regels voor de aanrekening van de giften.

Inkorting in waarde

Beschikkingen (schenkingen of legaten) die het beschikbaar gedeelte overschrijden kunnen na het openvallen van de nalatenschap, ingekort worden tot het beschikbaar gedeelte. Nieuw principe is dat de inkorting voortaan in de meeste gevallen dient te gebeuren in waarde, niet in natura. De begiftigde betaalt dan een vergoeding aan de reservataire erfgenamen. Teruggave van de geschonken goederen is niet aan de orde. De wetgever kiest voor een inkorting in waarde omdat ook de reserve in natura is vervangen door een reserve in waarde.

In een beperkt aantal gevallen (bv. inkorting voor de concrete reserve van de langstlevende echtgenoot (gezinswoning en huisraad) of op vraag van de begiftigde), gebeurt de inkorting wel nog in natura.

En inkorting van legaten gebeurt altijd in natura als de begiftigde geen erfgenaam is.

Waardering

Om de inkorting te bepalen, vormt men een massa uit alle goederen die bij het overlijden van schenker of testator aanwezig waren. Schulden worden afgetrokken, schenkingen worden fictief toegevoegd. Voor de waardering van de schenkingen wordt voortaan gekeken naar de waarde van de goederen op de dag van de schenking, weliswaar geïndexeerd tot de dag van overlijden. Men kijkt dus niet meer naar de waarde van de schenking op de dag van het overlijden.

Aanrekening giften

Om te weten of men tot inkorting moet overgaan, moeten de giften van de erflater aangerekend worden op de reserve van de reservataire erfgenamen of op het beschikbaar gedeelte van de nalatenschap.

Alle giften moeten aangerekend worden. In de volgorde waarin ze zijn toegekend, en te beginnen met de oudste. De laatste giften die aangerekend moeten worden, zijn de legaten. Zij worden aangerekend op de dag van het overlijden van de beschikker.

Giften die werden toegekend als voorschot op erfdeel aan een reservatair erfgenaam (giften die voor inbreng vatbaar zijn) worden aangerekend op de globale reserve van de reservataire erfgenamen. Het eventuele saldo wordt aangerekend op het beschikbare deel. Het meerdere wordt ingekort. Let op. Die giften blijven voor inbreng vatbaar, niettegenstaande hun ganse of gedeeltelijke aanrekening op het beschikbare deel. Bij gehele of gedeeltelijke inkorting moet wel allen maar datgene wat overblijft na inkorting ingebracht worden.

Giften die bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng aan een reservataire erfgenaam zijn gedaan, worden op het beschikbare deel aangerekend. Het overschot is onderworpen aan inkorting. Eenzelfde regeling geldt trouwens voor giften aan niet-reservataire erfgenamen.

Vergoeding

Wanneer een gift die in waarde inkortbaar is het beschikbaar gedeelte overschrijdt, moet de begunstigde (al dan niet erfgerechtigde) de reservataire erfgenamen (van wie de reserve is aangetast door de overschrijding van het beschikbare gedeelte) vergoeden. En dit ten belope van het overschrijdende gedeelte van de gift. De vergoeding voor de inkorting wordt uiterlijk betaald op het moment van de verdeling. Tenzij de mede-erfgenamen een andere regeling treffen.

De wetgever legt ook vast wat er moet gebeuren wanneer de schuldenaar van de vergoeding die niet kan betalen. In dat geval kan de reservataire erfgenaam de inkortingsvordering uitoefenen ten aanzien van derde-verkrijgers van de goederen die deelmaken van de giften die het beschikbaar deel overschrijden en kosteloos zijn vervreemd door de begiftigde.

Verjaring

De vordering tot inkorting van een gift aan een erfgenaam verjaart na 30 jaar vanaf het openvallen van de nalatenschap. Reservataire erfgenamen kunnen de inkorting niet meer vorderen als ze - hoewel ze weten dat hun voorbehouden erfdeel is aangetast - de inkorting niet hebben gevraagd op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap.

De vordering tot inkorting van een gift aan een begiftigde die geen erfgenaam is, verjaart twee jaar na de afsluiting van de vereffening-verdeling als daaruit de aantasting van het voorbehouden erfdeel van de reservataire erfgenamen blijkt. Of - in elk geval - na maximum dertig jaar vanaf het openvallen van de nalatenschap.

Let wel, de begiftigde (niet erfgenaam) kan de reservataire erfgenamen verplichten zich uit te spreken binnen een kortere termijn. Hij kan hen op elk ogenblik aanmanen om een standpunt in te nemen over het principe van de inkorting en - desgevallend - over het bedrag van de inkorting van de gift.  De erfgenamen moeten een standpunt innemen binnen het jaar na de ingebrekestelling. En zij hebben twee jaar vanaf de princiepsverklaring om de inkorting te vorderen en het bedrag ervan vast te stellen.

Inwerkingtreding

De nieuwe wet van 31 juli 2017 treedt in werking op 1 september 2018.

Bron: Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, BS 1 september 2017 (art. 54?59 Wet nieuw erfrecht)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 920?928)