Sociaal en fiscaal statuut voor 'student-zelfstandige'

De wetgever heeft een sociaal en fiscaal statuut uitgewerkt voor de 'student-ondernemer'. Dat zijn jongeren tot (in principe) 25 jaar die een zelfstandige activiteit combineren met studies die hun hoofdbezigheid vormen. Ze moeten op regelmatige wijze het onderwijs, de vorming of de opleiding in de onderwijsinstelling volgen.

3 voorwaarden

In het KB nr. 38 dat het sociaal statuut voor zelfstandigen bevat, wordt een nieuw artikel ingevoegd waarin staat wat een 'student-zelfstandige' is. Namelijk: de onderworpene die ertoe een aanvraag indient en die aan de 3 cumulatieve voorwaarden voldoet:

1/ Hij is minstens 18 jaar en hoogstens 25 jaar. Afwijkingen zijn mogelijk.

De leeftijd van 18 jaar komt overeen met de leeftijd die vereist is of aanbevolen is om een zelfstandige activiteit op te starten. En 25 jaar is de leeftijdsgrens voor de terugbetaling van geneeskundige verzorging als kind ten laste.
Uit de toelichting bij de wet blijkt dat de grens van 25 jaar op dezelfde manier zal worden toegepast voor alle jongeren, namelijk: tot aan het einde van het desbetreffende schooljaar of academisch jaar. Uiteraard is het niet de bedoeling om een persoon die studies herneemt tijdens zijn loopbaan als student te beschouwen.

2/ Hij is, voor het betrokken school- of academiejaar, in hoofdzaak ingeschreven om regelmatig lessen te volgen in een Belgische of een buitenlandse onderwijsinstelling, met het oog op het behalen van een diploma dat erkend wordt door een bevoegde overheid in België.
Ook hier is het niet de bedoeling om een persoon die enkele uren les volgt of die voor enkele credits (ECTS) is ingeschreven in een universiteit als student te beschouwen.

3/ Hij oefent een zelfstandige beroepsbezigheid uit, uit hoofde waarvan hij onderworpen is aan het sociaal statuut voor zelfstandigen.

Uitwerking bij KB

Dat is de basis. De rest komt aan bod in een KB: de modaliteiten voor het indienen van de aanvraag, het begin en einde van de onderwerping en wat er moet worden verstaan onder een in hoofdzaak ingeschreven student, onder een onderwijsinstelling in België of in het buitenland en onder regelmatig lessen volgen.

Verder kan een KB de gevallen bepalen waarin de leeftijd van de student-zelfstandige hoger kan zijn. Welke eventueel de uitgesloten vormen van onderwijs, opleiding of vorming zijn. En in welke mate een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten (in het kader van de Arbeidsovereenkomstenwet) de toepassing van de nieuwe regeling verhindert.
Met andere woorden: een KB kan bepalen in welke mate de tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst voor studenten kan worden gecumuleerd met het statuut van student-zelfstandige. In de toelichting bij de wet stipt men aan dat de studenten met een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten in de regeling voor werknemers ook het voorwerp kunnen uitmaken van uitsluitingen voorzien bij KB. Zo heeft het KB van 14 juli 1995 sommige categorieën van studenten uitgesloten.

Inmiddels werden al 2 uitvoeringsbesluiten goedgekeurd door de ministerraad:

Het eerste ontwerp omschrijft de praktische modaliteiten: indiening van de aanvraag, de geldigheidsduur, de verificatie van de voorwaarden, en het begin en einde van de onderwerping.

Het tweede ontwerp bepaalt dat de periodes waarvoor de student verminderde bijdragen betaalt als student-ondernemer meetellen voor de vereiste wachttijd om rechten te openen inzake arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en moederschap.

Let op! De wetgever bepaalt uitdrukkelijk dat deze regeling niet van toepassing is ten gunste van de meewerkende echtgenoot. De meewerkende echtgenoten die het maxi-statuut genieten, kunnen niet genieten van de nieuwe regeling. Het past immers niet in het doel van de wet om jonge meewerkende echtgenoten een volledige sociale dekking te ontzeggen.

Regeling sociale bijdragen

Binnen de huidige regelgeving worden de studenten-zelfstandigen onder bepaalde voorwaarden gelijkgesteld met zelfstandigen in bijberoep op het vlak van de betaling van hun sociale bijdragen. Dat betekent dat:

ze geen enkele bijdrage verschuldigd zijn wanneer hun jaarlijks inkomen als zelfstandige dat als basis dient voor de berekening van hun bijdragen geen 1.439,42 euro (cijfers van toepassing in 2016) bereikt;

ze een verminderde bijdrage verschuldigd zijn aan 21,5% (21% in 2017 en 20,50% in 2018) wanneer hun inkomen 1.439,42 euro per jaar bereikt maar de grens van 6.815,52 euro niet overschrijdt;

ze bijdragen verschuldigd zijn zoals de zelfstandigen in hoofdberoep, minstens berekend op een inkomen van 13.010,66 euro (cijfers van toepassing in 2016), bij overschrijding van het grensbedrag.

Maar de nieuwe wet voorziet binnen het KB nr. 38 in een nieuwe specifieke bijdrageregeling!

Er geldt namelijk een gunstige regeling van bijdragen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen voor de studenten die inkomsten hebben die lager zijn dan de drempel die van kracht is voor de zelfstandigen in hoofdberoep:

De studenten-zelfstandigen zijn geen enkele bijdrage verschuldigd op het deel van hun inkomen dat niet de helft van het minimuminkomen bedraagt op basis waarvan de zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen betalen (voor 2017: 13.296,25/2 = 6.648,13 euro).

De studenten-zelfstandigen zijn een verminderde bijdrage van 21% (20,50% in 2018) verschuldigd wanneer hun inkomen deze helft bereikt, maar lager is dan het bedrag van het minimuminkomen (voor 2017: 13.296,25 euro). De bijdrage wordt berekend op het gedeelte van het inkomen dat de helft van dit minimuminkomen overschrijdt.

Net als alle andere zelfstandigen kan de student-zelfstandige een aanpassing vragen van de bijdragen die voorlopig worden vastgesteld, vóór de mededeling van zijn werkelijk ontvangen inkomsten door de FOD Financiën. Tijdens de periode van begin van bezigheid kunnen de studenten die het aanvragen voorlopig een forfaitaire bijdrage verschuldigd zijn. Ze kunnen voorlopige bijdragen betalen die overeenstemmen met hun objectief ingeschatte inkomsten, maar ze kunnen ook vragen om bij te dragen zoals een zelfstandige in hoofdberoep, of, in tegendeel, om niet bij te dragen, of om een verminderde bijdrage te betalen.

Let wel, de nieuwe wet bepaalt dat de student-zelfstandige die een bijdrage verschuldigd is in toepassing van de specifieke regeling enkel onderworpen is aan de regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, overeenkomstig de regels en voorwaarden vastgesteld bij KB.

Studenten-zelfstandigen die geen bijdragen betalen, kunnen in principe rechthebbenden blijven op geneeskundige verzorging van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als persoon ten laste, aangezien er geen enkele inkomensgrens bestaat voor deze kinderen.
Wanneer er geen ouder is die het recht opent of geen andere mogelijkheid is, kunnen de studenten nog rechthebbenden zijn in de hoedanigheid van student of in de hoedanigheid van resident, desgevallend door middel van de betaling van een persoonlijke bijdrage aan het ziekenfonds.

Let op! Studenten die kunnen genieten van de gunstige bijdrageregeling kunnen geen vrijstelling bekomen die toegekend wordt door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen.

Fiscaal statuut

Het fiscaal statuut wordt hier niet in detail behandeld. Samengevat komt het erop neer dat een eerste schijf van de inkomsten van een student-zelfstandige en van een leerling in een alternerende opleiding niet in aanmerking zullen worden genomen als bestaansmiddel (ten belope van 2.610 euro voor de inkomsten 2016).

Op die manier zal het feit dat een student een inkomen verwerft als zelfstandige er minder snel toe leiden dat hij niet meer ten laste kan zijn van zijn ouders. Een vergelijkbare regeling bestaat momenteel al voor de inkomsten van jobstudenten (loontrekkenden). Voor concrete voorbeelden kunnen we verwijzen naar de memorie van toelichting.

Net als de inkomsten van zelfstandigen in bijberoep, zullen ook de inkomsten van studenten-zelfstandigen niet worden aangemerkt als 'activiteitsinkomsten' voor de toepassing van het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten (artikel 289ter WIB 92).

In werking

De wet van 18 december 2016 treedt in werking op 1 januari 2017. De bepalingen inzake het fiscaal statuut van de student-zelfstandige zullen van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2018 voor de inkomsten van 2017.

Bron: Wet van 18 december 2016 tot vaststelling van het sociaal en fiscaal statuut van de student-zelfstandige, BS 30 december 2016