Nadere toelichting betreffende de procedure voor de familierechtbank (art. 41, 46 en 79 DWJ)

De wet tot oprichting van een familierechtbank moet op 1 september 2014 in werking treden. Hoewel de tekst de vrucht is van 30 jaar parlementaire arbeid, werd er heel wat kritiek op geuit, zowel vanuit de academische wereld als door de juristen op het terrein. Om daaraan tegemoet te komen, heeft de wetgever op 8 mei 2014 een ?reparatiewet? aangenomen, die verduidelijkingen aanbrengt en diverse onduidelijkheden, onder meer op het vlak van de procedure, wegwerkt.

Toepassing van de procedure in kort geding

De wetgever ruimt de onduidelijkheid uit de weg die ontstaan was ten gevolge van de nieuwe redactie van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling betreft de dringende en voorlopige maatregelen die moeten genomen worden indien de verstandhouding tussen de echtgenoten ernstig verstoord is, maar er nog geen echtscheidingsprocedure ingeleid is. Momenteel berust deze bevoegdheid nog bij de vrederechter, maar op 1 september 2014 zal ze aan de familierechtbank worden overgedragen.

De nieuwe opstelling van artikel 223 van het burgerlijk Wetboek verwees naar de artikelen van het Gerechtelijk wetboek die de maatregelen aanduiden die de familierechtbank in dergelijke zaken kan nemen, maar bepaalde niet welke procedure moet toegepast worden. Het was dan ook de vraag of de procedureregels in geval van spoedeisendheid van toepassing zijn.

De reparatiewet van 8 mei 2014 beantwoordt die vraag bevestigend: op geschillen tussen echtgenoten waarvan de familierechtbank kennis neemt op grond van artikel 223 nieuw van het Burgerlijk Wetboek, is spoedeisendheid van toepassing, indien de gevorderde maatregel wordt geacht spoedeisend te zijn of indien de partijen de spoedeisendheid inroepen en verantwoorden.

Hetzelfde geldt voor conflicten tussen ouders inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen.

Voorlopige maatregelen

De wet van 30 juli 2013 betreffende de oprichting van een familierechtbank had de familierechtbank de bevoegdheid verleend tot het bevelen van verschillende voorlopige maatregelen in de geschillen die haar worden onderworpen. In de nieuwe redactie van het Gerechtelijk wetboek kwamen daardoor evenwel een paar tegenstrijdigheden aan het licht, die thans door de reparatiewet van 8 mei 2014 werden verbeterd. Het betreft met name volgende punten:

in de vorige versie van de tekst stond dat de familierechtbank voorlopige maatregelen kon bevelen in het kader van de vereffeningsprocedure. Dit punt werd opgeheven, want het bleek strijdig te zijn met de wet op de procedure van vereffening-verdeling en leidde dus tot verwarring.

de reparatiewet verbetert ook een incoherentie die in de vorige tekst geslopen was, met name betreffende de toepassingsmodaliteiten van de door de familierechtbank ten voordele van één der partijen bevolen overdracht van geldsommen. Dankzij de overdracht van geldsommen kan de onderhoudsgerechtigde de geldsommen die hem toekomen rechtstreeks van derde-schuldenaars, zoals de werkgever, de instelling die de werkloosheidsuitkering uitkeert, enz. ontvangen. De oorspronkelijke versie van de tekst bepaalde dat een vonnis dat het bevel tot dergelijke overdracht inhoudt bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de derde-schuldenaar moet betekend worden, terwijl artikel 221 van het Burgerlijk wetboek zegt dat een kennisgeving bij gerechtsbrief volstaat. Na de reparatiewet zal kennisgeving door de griffie volstaan, waardoor het systeem zijn coherentie herwint en tegemoet komt aan de algemene tendens tot vereenvoudiging van de juridische formaliteiten.

Geschillen betreffende het huwelijksvermogensstelsel

De wet van 30 juli had artikel 1253quater van de het Gerechtelijk wetboek, tot regeling van de procedure bij geschillen tussen de echtgenoten betreffende hun huwelijksvermogensstelsel (bijvoorbeeld de vaststelling van de echtelijke woonplaats, de uitoefening van een beroep, enz.) gewoonweg opgeheven. Er werd immers vanuit gegaan dat deze bepaling niet langer noodzakelijk was, aangezien de procedure vóór de familierechtbank al geregeld werd door artikel 1253ter/4 van het Gerechtelijk wetboek. Men had echter uit het oog verloren dat artikel 1253ter/4 enkel de procedure voorschrijft bij geachte of ingeroepen spoedeisendheid, en dat elk geschil tussen echtgenoten niet noodzakelijk aan het criterium van spoedeisendheid beantwoordt.

De reparatiewet herstelt het opgeheven artikel 1253quater van de het Gerechtelijk wetboek dus in ere en voegt eraan toe dat de procedure die het voorschrijft enkel van toepassing is indien geen spoedeisendheid is vereist.

Deze wijzigingen treden in werking op 1 september 2014.

Bron: Wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie (1), BS 14 mei 2014 (art. 41, 46 en 79)