Nadere toelichting betreffende de materiële bevoegdheid van de familierechtbank (art. 56, 60 en 75 DWJ)

De wet betreffende de invoering van een familierechtbank, die op 1 september 2014 in werking moet treden, beoogde alle geschillen die hun oorsprong vinden in het gezinsleven voor dit nieuwe rechtscollege te brengen.

Maar de wetgever was een aantal bevoegdheden ?vergeten?. Daarom brengt de reparatiewet van 8 mei 2014 verschillende verbeteringen aan.

1. Wat de geschillen in verband met de wettelijke samenwoning betreft, was men vergeten om de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de akte van verklaring van wettelijke samenwoning op te maken te vermelden. Die materie bleef dus tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoren. De reparatiewet kent die bevoegdheid nu aan de familierechtbank toe.

2. In de originele versie van de wet bleef de bevoegdheid inzake het huisverbod tot de echtelijke woning van de echtgenoot die zich schuldig gemaakt heeft aan huiselijk geweld tot de vrederechter behoren. Deze materie wordt nu aan de familierechtbank toevertrouwd.

3. Geschillen ingevolge de weigering van de centrale autoriteit om een interlandelijke adoptie te erkennen of te registreren worden voortaan toebedeeld aan de familierechtbank, en niet meer aan de rechtbank van eerste aanleg, zoals weleer.

4. De wet tot oprichting van een familierechtbank had de bevoegdheden inzake de adoptie van minderjarige kinderen al aan dit nieuwe rechtscollege toebedeeld, maar de bevoegdheid inzake de adoptie tussen meerderjarigen werd niet gewijzigd, zodat deze bevoegdheid tot de rechtbank van eerste aanleg bleef behoren. De reparatiewet wijzigt het Gerechtelijk wetboek in die zin dat nu ook de bevoegdheid inzake de adoptie tussen meerderjarigen aan de familierechtbank wordt toevertrouwd.

Deze wijzigingen treden in werking op 1 september 2014.

Bron: Wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie (1), BS 14 mei 2014 (art. 56, 60 en 75).